Jaarrekening

Waarderingsgrondslagen

De jaarrekening is opgesteld met inachtneming van de voorschriften zoals opgenomen in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en de verordening ex artikel 212 Gemeentewet. In deze verordening zijn de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vastgesteld.
De verordening (Financiële verordening gemeente De Fryske Marren 2022) is op 3 maart 2022 door de gemeenteraad vastgesteld. De verordening trad met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2022.

Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening
De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van historische kosten. Tenzij bij het desbetreffende balanshoofd anders is vermeld, worden de activa en passiva opgenomen tegen nominale waarden.

De baten en lasten rekenen we toe aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en winsten worden slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, nemen we mee indien ze voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn.

Dividendopbrengsten van deelnemingen worden als bate genomen op het moment waarop het dividend betaalbaar wordt gesteld.

Met betrekking tot de eigen bijdragen die het CAK int en aan de gemeenten afdraagt geldt het volgende.
Er geldt een vaste eigen bijdrage per periode/maand. Gemeenten kunnen op basis van de overzichten van het CAK het aantal personen beoordelen met de eigen Wmo-administratie. De gemeente levert de zorgberichten rechtstreeks aan bij het CAK. Door de systematiek te kiezen van het innen en afdragen van de eigen bijdragen door het CAK, heeft de wetgever in feite bepaald, dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid en volledigheid van de eigen bijdragen geen gemeentelijke verantwoordelijkheid is. Dat betekent dat door de gemeenten geen volledige zekerheid over omvang van de eigen bijdragen kunnen krijgen als gevolg van het niet kunnen vaststellen van de juistheid op persoonsniveau, zoals hiervoor is toegelicht.
De gemeente moet deze onzekerheid in de jaarstukken noemen, ook al ligt de oorzaak niet bij de gemeente. Personeelslasten rekenen we in principe toe aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben.
Als gevolg van het formele verbod op het opnemen van voorzieningen c.q. schulden uit hoofde van jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume, worden sommige personele lasten echter toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt. Daarbij denken we aan componenten zoals ziektekostenpremie ten behoeve van gepensioneerden en overlopende vakantiegeld- en verlofaanspraken.

Immateriële vaste activa
De immateriële activa waarderen we tegen verkrijgings- respectievelijk vervaardigingsprijs, verminderd met de afschrijvingen en waardeverminderingen die naar verwachting duurzaam zijn. De kosten van onderzoek en ontwikkeling voegen we toe aan de boekwaarde van het actief waar ze betrekking op hebben en afgeschreven in dezelfde termijn als het betreffende actief. Eventuele van derden verkregen specifieke investeringsbijdragen worden in mindering gebracht op het geactiveerde bedrag (artikel 62 lid 2 BBV).

Bijdragen aan activa in eigendom van derden die voldoen aan de voorwaarden gesteld in Artikel 61 van het BBV worden geactiveerd. Dergelijke geactiveerde bijdragen zijn gewaardeerd tegen het bedrag van de verstrekte bijdragen verminderd met de afschrijvingen. De verleende bijdragen worden afgeschreven in de periode waarin het betrokken actief van de derde op basis van de door de gemeente gestelde voorwaarden moet bijdragen aan de publieke taak.

Materiële vaste activa
Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs omvat de aanschafkosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend, inclusief de direct toe te rekenen salariskosten. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend; in dat geval vermeldt de toelichting dat de rente is geactiveerd.

De materiële vaste activa met economisch nut zijn gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Specifieke investeringsbijdragen van derden zijn op de desbetreffende investering in mindering gebracht. Bij de waardering is nodig rekening te houden met een (verwachte) duurzame waardevermindering. Ligt de verkrijgings- of verwaardigingsprijs onder de € 25.000 dan wordt deze niet geactiveerd maar rechtstreeks ten laste van de exploitatie gebracht. We starten met afschrijven de maand volgend op de eerste investering.

De volgende materiële vaste activa worden lineair afgeschreven in:

  1. Gebouwen en inrichting
  1. 40 jaar: nieuwbouw woonruimten, bedrijfsgebouwen, kantoren en schoolgebouwen;
  2. 25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop woonruimten, bedrijfsgebouwen, kantoren en schoolgebouwen;
  3. 15 jaar: technische installatie in woonruimten, bedrijfsgebouwen, kantoren en schoolgebouwen;
  4. 15 jaar: meubilair en inrichting.

2.   Vervoermiddelen

  1. 15 jaar: motorvaartuigen;
  2. 7 jaar: vrachtauto’s, bestelauto’s, personenauto’s tractoren, maaimachines en overige tractiemiddelen.

3.   Machines, apparaten, installaties en overige

  1. 5 jaar: soft- en hardware
  2. max 10 jaar: overige machines, apparaten, installaties e.d. De indien de verwachte levensduur korter is dan 10 jaar dan wordt het actief afgeschreven gedurende de verwachte levensduur

4.   Grond-, weg- en waterbouwkundige werken

  1. 25 jaar: aanleg en reconstructie wegen, straten, fiets- en voetpaden en aanleg sportvelden
  2. 15 jaar: renovatie sportvelden, aanleg kunstgrasvelden
  3. 40 jaar: betonnen fietspaden, walbeschoeiing, remmingswerken, bruggen, tunnels, viaducten e.d.
  4. 60 jaar: kunststof walbeschoeiing.

5.   Rioleringswerken

  1. 60 jaar: aanleg riolering en relining
  2. 40 jaar: bouwkundige werken
  3. 15 jaar: technisch werken

6.   Overige

  1. Overige materiële vaste activa worden afgeschreven gedurende de verwachte levensduur van het actief.

Wanneer investeringen grotendeels of meer worden gedaan voor riolering, het inzamelen van huishoudelijk afval of andere alsook voor rechten die op grond van art. 229 lid 1 a en b Gemeentewet worden geheven, dan worden deze investeringen op de balans opgenomen in een aparte categorie: de investeringen met economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven.

Investeringen met een maatschappelijk nut worden, evenals investeringen met een economisch nut, geactiveerd en over de verwachte toekomstige gebruiksduur afgeschreven. De verplichting om alle investeringen te activeren volgens de nieuwe methode geldt alleen voor investeringen die vanaf het begrotingsjaar 2020 worden gedaan.

Financiële vaste activa
De onder de financiële vaste activa opgenomen leningen verstrekt aan derden zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde. De verstrekte bijdragen in activa van derden zijn gewaardeerd op het bedrag van de verstrekte bijdrage verminderd met de afschrijvingen.

Participaties in het aandelenkapitaal van NV’s en BV’s (kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen in de zin van het BBV) zijn gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs van de aandelen. Indien de waarde van de aandelen onverhoopt structureel mocht dalen tot onder de verkrijgingsprijs zal afwaardering plaatsvinden. Tot dusver is een dergelijke afwaardering gelukkig niet noodzakelijk gebleken. De actuele waarde ligt ruim boven de verkrijgingsprijs.

Onderhanden werk, waaronder bouwgronden in exploitatie
De voorraad bouwgronden in exploitatie is gewaardeerd tegen de vervaardigingsprijs, dan wel de lagere marktwaarde, verminderd met de voorziening toekomstige verliezen. De vervaardigingsprijs omvat de kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend, zoals grondaankopen en kosten bouw- en woonrijp maken.

Voor winstneming geldt de percentage of completion methode: baten en lasten -en het daaruit vloeiende resultaat- worden toegerekend aan de periode waarin deze zijn gerealiseerd. Bij meerjarige projecten betekent dit dat (de verwachte) winst niet pas aan het eind van het project als gerealiseerd moet worden beschouwd , maar gedurende de looptijd van het project tot stand komt en ook als zodanig moet worden verantwoord. Het verantwoorden van tussentijdse winst is daarmee geen keuze maar een verplichting die voortvloeit uit het realisatiebeginsel. Bij het bepalen van tussentijdse winst is het wel noodzakelijk de nodige voorzichtigheid te betrachten. Indien aan de volgende voorwaarden is voldaan, bestaat er voldoende zekerheid en dient er winst te worden genomen:

  1. Het resultaat op de grondexploitatie kan betrouwbaar worden ingeschat
  2. De grond (of het deelperceel) moet zijn verkocht.
  3. De kosten zijn gerealiseerd (winst wordt naar rato van de realisatie gerealiseerd).

Zolang daarvan geen sprake is, worden de verkregen verkoopopbrengsten ten volle op de vervaardigingskosten in mindering gebracht. Indien er sprake is van winst, wordt deze berekend op basis van de eindwaarde van het project, conform de notitie ‘grondbeleid in begroting en jaarstukken (2019)’van de commissie BBV. Als de berekening van de tussentijdse winstneming volgends de percentage of completion methode ertoe leidt dat in eerdere jaren te veel winst is genomen, dan neemt de gemeente de eerder te veel genomen winst terug. Subsidiebaten en de daarbij behorende subsidiabele kosten bij grondexploitaties maken geen onderdeel uit van de tussentijdse winstneming en worden verantwoord op het moment dat de subsidie volgens de subsidievoorwaarden is gerealiseerd.

Gereed product en handelsgoederen
Gerede producten worden gewaardeerd tegen de kostprijs of tegen de marktwaarde indien de marktwaarde lager is dan de kostprijs. Dat laatste doet zich vooral voor indien voorraden incourant worden. De kostprijs bestaat uit de verrekenprijzen van grond- en hulpstoffen en de loon- en machinekosten die aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend.

Uitzettingen met een rentetypische looptijd < 1 jaar
De uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan 1 jaar (vorderingen) zijn gewaardeerd tegen nominale waarde. Voor verwachte oninbaarheid is een voorziening in mindering gebracht. De voorziening bepalen we op basis van geschatte inningskansen.

Liquide middelen
De liquide middelen zijn gewaardeerd tegen nominale waarde.

Overlopende activa
De overlopende activa is gewaardeerd tegen nominale waarde.

Voorzieningen
Voorzieningen worden gewaardeerd op het nominale bedrag van de betrokken verplichting c.q. het voorzienbare verlies. De pensioenverplichting ten behoeve van de wethouders is echter tegen de contante waarde van de (reeds opgebouwde) toekomstige uitkeringsverplichtingen gewaardeerd. De onderhoudsegalisatievoorzieningen stoelen op een meerjarenraming van het uit te voeren groot onderhoud aan (een deel van) de gemeentelijke kapitaalgoederen, waarin rekening is gehouden met de kwaliteitseisen die ter zake geformuleerd zijn. In de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen die is opgenomen in het jaarverslag is het beleid hieromtrent uiteengezet.

Vaste schulden met een rente typische looptijd van een jaar of langer
Onder vaste schulden met een rente typische looptijd van een jaar of langer worden verstaan de schulden met een oorspronkelijke looptijd van één jaar of langer. De vaste schulden zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde verminderd met de aflossingen.

Kortlopende schulden
De kortlopende schulden zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde.

Netto vlottende schulden met een rente typische looptijd korter dan een jaar
De netto vlottende schulden met een rente typische looptijd korter dan een jaar zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde.

Borg- en Garantstellingen
Voor zover leningen door de gemeente gewaarborgd zijn, is buiten de balanstelling het totaalbedrag van de geborgde schuldrestanten per einde boekjaar opgenomen. Overigens is in de toelichting op de balans nadere informatie opgenomen.

Algemene uitkering
Op basis van een stellige uitspraak van de commissie BBV dienen gemeenten de algemene uitkering in de jaarrekening te verantwoorden conform de in het jaar laatst gepubliceerde accresmededeling, die is opgenomen in de september circulaire van het boekjaar. Gemeente De Fryske Marren hanteert voor de verantwoording van de algemene uitkering de laatste verzamelstaat gemeentefonds met betrekking tot het verantwoordingsjaar. Deze is gebaseerd op het Accres van de september circulaire (conform BBV), maar hierbij zijn de eenheden ge-update op basis van de decembercirculaire.

Deze pagina is gebouwd op 05/30/2024 11:11:56 met de export van 05/30/2024 10:57:01